Rb. 's-Gravenhage 16 oktober 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7204

Aanvraag / wijze van indiening / in persoon verschaffen van gegevens Verzoeker heeft op 27 december 2006 schriftelijk een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. Deze aanvraag is door verweerder bij besluit van 14 maart 2007 buiten behandeling gesteld. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker niet verplicht is die aanvraag in persoon in te dienen. Met de stelling van verzoeker dat niet bij wet is bepaald dat de aanvraag in persoon moet worden ingediend, miskent verzoeker evenwel dat het hier niet zozeer gaat om de indiening van een aanvraag, maar voornamelijk om het in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb bedoelde vereiste van het verschaffen van de nodige gegevens en bescheiden. In verband daarmee is in voornoemd artikel 24 van de Vw 2000 bepaald dat deze gegevens door de vreemdeling in persoon moeten worden verstrekt. In artikel 3.102 van het Vb 2000 is voorts neergelegd welke gegevens en bescheiden in ieder geval moeten worden overgelegd. Gelet op het hier aangehaalde wettelijk kader, nader uitgewerkt in het voornoemde in de Vc 2000 neergelegde beleid, moet worden vastgesteld dat verweerder overeenkomstig deze regels heeft gehandeld door verzoeker, na ontvangst van zijn schriftelijk ingediende aanvraag, uit te nodigen om in persoon te verschijnen voor de verschaffing van de nodige gegevens en bescheiden. Na vaststelling dat verzoeker niet verschenen was, heeft verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid van de Awb op goede gronden besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen