Rb. 's-Gravenhage 19 april 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6815
Schrijnendheid / discretionaire bevoegdheid / aanvraag in de zin van 1:3 Awb De rechtbank oordeelt dat de brief van eiser van 28 april 2003 dient te worden aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 en derhalve tevens als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb. Voorts dient de reactie van verweerder daarop van 29 oktober 2003 te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. De rechtbank acht daartoe redengevend dat eiser in zijn brief expliciet aandacht heeft gevraagd voor de bijzondere schrijnende situatie waarin hij verkeert alsmede in dat kader verweerder heeft verzocht gebruik te maken van zijn discretionaire ruimte en een vergunning tot verblijf te verlenen. Voorts heeft eiser in bezwaar wederom een beroep gedaan op schrijnendheid en op uitlatingen van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tijdens het Tweede Kamerdebat van 23 september 2003 (TK 4, p 4-191) geciteerd. Dat verweerder de brief van 28 april 2003 in het kader van inherente afwijkings¬bevoegdheid tevens heeft betrokken bij zijn besluitvorming in de reguliere procedure doet aan het voorgaande niet af. Immers, eiser heeft verweerder niet verzocht om van de inherente afwijkings¬bevoegdheid gebruik te maken. Verweerders beroep in dezen op de uitspraak van de ABRS van 22 juni 2005 slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl