Rb. 's-Gravenhage 7 september 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6731
Gezinshereniging / ouderenbeleid / 8 EVRM Verzoekers hebben de Indiase nationaliteit en wonen in India. Zij hebben een volwassen zoon en dochter in Nederland. De dochter heeft de Nederlandse nationaliteit en is getrouwd met een Nederlandse man, die een eigen bedrijf heeft. De zoon heeft een permanente Engelse verblijfsvergunning en werkt onder een vast dienstverband als advocaat in Nederland. In verband met ernstige gezondheidsproblematiek verblijven verzoekers gescheiden van elkaar in zorginstellingen in India, die echter niet in staat zijn de benodigde zorg te bieden. Verzoekers kunnen elkaar niet zelfstandig bezoeken. De zoon en dochter hebben tevergeefs geprobeerd om de situatie van verzoekers vanuit Nederland te verbeteren. Verzoekers hebben mvv’s aangevraagd voor verblijf bij hun (volwassen) dochter en zoon in Nederland. Zij doen onder meer een beroep op het recht op respect voor hun gezins- en familieleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. Verweerder heeft in het bestreden besluit een onjuiste toets aangelegd ten aanzien van dat artikel. De voorzieningenrechter overweegt dat sprake is van een bijzondere afhankelijkheid in de familierelatie die de normale, emotionele banden overstijgt, nu verzoekers zowel voor hun (medische) verzorging als voor de mogelijkheid elkaar en hun kinderen te bezoeken volledig van hun kinderen afhankelijk zijn. Daarnaast bestaan aanzienlijke objectieve belemmeringen voor de kinderen om naar India te verhuizen. Verzoekers hebben dan ook groot belang bij toekenning van de gevraagde mvv’s. Anderzijds valt niet in te zien welk belang van de Nederlandse staat is gediend bij weigering van de mvv’s, zodat afweging van die belangen moet leiden tot de conclusie dat het weigeren van de mvv’s in strijd is met artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit omdat het niet op een juiste motivering berust en draagt verweerder op de gevraagde mvv’s te verlenen. In een obiter dictum overweegt de voorzieningenrechter voorts dat verweerder bovendien heeft miskend dat hem beleidsruimte toekomt bij het invullen van het begrip ‘alleenstaand’ in artikel 3.25, eerste lid, Vb.
De uitspraak op rechtspraak.nl