Rb. 's-Gravenhage 5 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5244
Vertrouwensbeginsel / toezegging verweerder Verzoeker stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat hem de mogelijkheid van adequate opvang niet zou worden tegengeworpen. Bij de gedingstukken bevindt zich een brief van de gemachtigde van verzoeker van 16 november 2004 aan deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar, waarin wordt meegedeeld dat het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel wordt ingetrokken, omdat van de IND bericht is ontvangen dat aan cliënt een vergunning ‘voortgezet verblijf’ zal worden verleend. Na ontvangst van het voornemen van verweerder van 31 november 2004, inhoudende dat de aanvraag van verzoeker om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning in de beperking “voortgezet verblijf” niet wordt ingewilligd, heeft verzoeker bij schrijven van 20 december 2004 een klacht bij verweerder ingediend over de gang van zaken. Deze klacht is bij schrijven van verweerder van 10 maart 2005 ongegrond verklaard. Dit schrijven is weliswaar gericht aan de gemachtigde van verzoeker, maar verstuurd naar het adres van de IND te ’s-Hertogenbosch. Met het toezenden van de stukken in het onderhavige geding aan verzoekers gemachtigde heeft verzoeker evenwel van verweerders brief van 10 maart 2005 kennis kunnen nemen. Vastgesteld wordt dat tegen de inhoud daarvan geen argumenten naar voren zijn gebracht, zodat van juistheid daarvan dient te worden uitgegaan. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hem de toezegging is gedaan als door hem gesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan derhalve niet slagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl