Rb. 's-Gravenhage 27 september 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5101
Dwangsom / vordering tot afwijzing dan wel vermindering / artikel 611d Rv Op 10 juni 2004 hebben betrokkenen een aanvraag asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij uitspraak van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, van 1 maart 2005 zijn de beroepen tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard. Op 20 april 2005 hebben betrokkenen beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvragen. Bij uitspraak van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats van 16 juni 2005 zijn deze beroepen gegrond verklaard verweerder opgedragen binnen vier weken te beslissen en is de Staat der Nederlanden een dwangsom opgelegd voor elke dag dat de door de rechtbank gestelde termijn wordt overschreden. Bij besluiten van 17 augustus 2005 heeft de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie de aanvragen van betrokkenen afgewezen. De Staat stelt vervolgens op grond van artikel 611d Rv jo. 8:72 van de Awb een vordering in tot opheffing dan wel vermindering van de verbeurde dwangsommen. De staat voert hiertoe onder andere aan dat het bij een afwijzende beslissing niet mogelijk is om binnen de gesteld termijn (vier weken) te beslissen, omdat eerste een voornemen moet worden uitgebracht en de zienswijze van de vreemdeling moet worden afgewacht. De rechtbank stelt voorop dat het instrument van de dwangsom niet bedoeld is als sanctie achteraf op de trage besluitvorming maar als middel om zo voortvarend mogelijke besluitvorming te bevorderen. In beginsel is het mogelijk binnen vier weken tot een zorgvuldige afweging te komen. Indien in dit concrete geval daartoe meer tijd nodig zou zijn geweest had het op de weg van de Staat gelegen om in verzet te komen tegen de uitspraak van 16 juni 2005. Wel volgt de rechtbank de stelling van de Staat dat bij de vaststelling van de beslistermijn in de uitspraak van 16 juni 2005 onvoldoende rekening is gehouden met de door de Staat aangehaalde termijn van vier weken, als bedoeld in artikel 3.115, tweede lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000, voor het indienen van een zienswijze op het voornemen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de periode die betrokkenen nodig hebben gehad om een zienswijze uit te brengen, vijf dagen, bij de berekening van de duur van de overschrijding van de beslistermijn buiten beschouwing te laten. Wat betreft de hoogte van de vorderingen overweegt de rechtbank als volgt. De uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2005 heeft betrekking op twee beroepen tegen het uitblijven van twee besluiten op twee afzonderlijke aanvragen. Op iedere aanvraag diende afzonderlijk een besluit te worden genomen. Derhalve is € 250,- per besluit per dag verschuldigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl