Rb. 's-Gravenhage 21 september 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB4606
Vreemdelingenbewaring / staandehouding / gebruik van handboeien Niet in geschil is dat eiser tijdens zijn staandehouding handboeien zijn aangelegd. Anders dan verweerder heeft betoogd, volgt uit de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2003 dat het ingevolge artikel 22 van de Ambtsinstructie niet is toegestaan om een vreemdeling tijdens zijn staandehouding handboeien aan te leggen. Artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 biedt immers geen grondslag voor vrijheidsbeneming. Zelfs indien ervan moet worden uitgegaan dat, zoals verweerder heeft gesteld, sprake was van vluchtgevaar, doet dat aan het voorgaande niet af. Het niet naleven van artikel 22 van de Ambtsinstructie maakt, gelet op artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel echter alleen dan onrechtmatig, indien de met inbewaringstelling gemoeide belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dit gebrek en de daardoor geschonden belangen. In het onderhavige geval is niet gesteld noch anderszins gebleken dat eiser zich aan zijn staandehouding had onttrokken; van zogenaamd ‘vluchtgedrag’ blijkt niet. Bovendien blijkt op geen enkele wijze van de noodzaak om eiser geboeid te laten tijdens het transport. Verweerder heeft, buiten de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, geen andere met de bewaring gemoeide belangen gesteld die oplegging van de maatregel, ondanks het niet naleven van artikel 22 van de Ambtsinstructie, kunnen rechtvaardigen. De gronden voor de inbewaringstelling van eiser staan niet in redelijke verhouding tot de inbreuk op de lichamelijke integriteit van eiser die met het aanleggen van de handboeien is gemaakt, zodat deze onvoldoende gewicht hebben om de belangenafweging in het voordeel van verweerder te laten uitvallen. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl