Rb. 's-Gravenhage 30 augustus 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3369

Inkomstenbelasting (niet-winst). Eiser heeft in het jaar 2004 een WAO/AAW-uitkering genoten. In zijn aangifte heeft hij het bedrag van de uitkering in rubriek 3a van het aangiftebiljet ingevuld. Bij de voorlopige aanslagregeling is aan eiser een arbeidskorting van € 1.213 verleend. Bij de definitieve aanslagregeling heeft verweerder de uitkering aangemerkt als inkomen uit vroegere arbeid en heeft hij op die grond de arbeidskorting niet verleend. In geschil is of eiser recht heeft op toepassing van de arbeidskorting. Rechtbank 's-Gravenhage oordeelt dat het bij de aanslag in de heffing betrokken inkomen geen inkomen is dat met tegenwoordige arbeid is behaald. De uitkering is niet op grond van artikel 1.7a van de Wet gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid, omdat zij niet is genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van de rechtbank kon eiser voorts aan de omschrijving die in het aangiftebiljet wordt gegeven van de in rubriek 3a in te vullen inkomsten, meer in het bijzonder de woorden ”andere inkomsten van uzelf uit tegenwoordige dienstbetrekking die onder de loonheffing vielen”, niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat de uitkering voor de toepassing van de arbeidskorting als loon uit tegenwoordige arbeid zou worden aangemerkt. Het is de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen te beoordelen. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen