Rb. 's-Gravenhage 3 september 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3168
Legesverplichting / verzoek om vrijstelling legesverplichting / buitenbehandelingstelling / herstel verzuim De rechtbank is van oordeel dat de bepalingen betreffende de verplichting tot het betalen van leges en de bepalingen betreffende de mogelijkheid tot het verkrijgen van vrijstelling van die verplichting in onderlinge samenhang moeten worden gelezen. De wettelijke verplichting als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, van artikel 4:5 van de Awb behelst in dit geval dan ook de verplichting om bij de aanvraag het in artikel 3.34, tweede lid, onder b, van het VV 2000 voor de behandeling daarvan genoemde bedrag aan leges te betalen, of stukken over te leggen waarmee wordt aangetoond dat niet aan die legesverplichting kan worden voldaan. (…) De rechtbank is, gelet op de hiervoor omschreven samenhang tussen de bepalingen betreffende de verplichting tot het betalen van leges en die betreffende de mogelijkheid tot vrijstelling van deze verplichting, van oordeel dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier in verband met gezinshereniging of gezinsvorming, die wordt ingediend zonder dat daarbij het legesbedrag wordt voldaan, maar waarbij wel om vrijstelling van de verplichting tot betaling van leges wordt verzocht, niet buiten behandeling mag worden gesteld zonder dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld om of alsnog de leges te voldoen, of alsnog het verzoek om vrijstelling op afdoende wijze te onderbouwen. Hetgeen daaromtrent in de Vc 2000 is gesteld, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de wettelijke regeling. De rechtbank deelt verder niet verweerders op het in paragraaf B1/4.2.1 van de Vc 2000 gebaseerde standpunt dat de aanvraag, op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000, ook buiten de in artikel 4:5, vierde lid, van de Awb genoemde termijn van vier weken na ommekomst van de daarvoor gestelde termijn nog in verband met het niet-betalen van leges buiten behandeling kan worden gesteld. Noch het karakter van artikel 24, tweede lid, noch het ontbreken van een daarmee samenhangende afwijzingsgrond in de Vw 2000 biedt daarvoor steun. Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 21 oktober 2004 (LJN: AR4649), blijkt noch uit de tekst, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 dat de wetgever met dat artikellid heeft beoogd af te wijken van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl