Rb. 's-Gravenhage 7 augustus 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1785
Artikel 15c Definitierichtlijn / binnenlands gewapend conflict / Turkije Met verwijzing naar de uitspraak van de ABRS van 20 juli 2007 (LJN: BB0917) overweegt de rechtbank dat een wijziging van het recht alleen als relevant nieuw recht kan worden aangemerkt indien de vreemdelingen onder de reikwijdte van de desbetreffende bepaling vallen. Van ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn kan slechts sprake zijn indien in het land van herkomst sprake is van "willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict". Dienaangaande heeft de ABRS in rechtsoverweging 2.12 van de voornoemde uitspraak overwogen dat op grond van bepalingen van internationaal humanitair recht moet worden geconcludeerd dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. Deze operaties dienen dan aanhoudend en samenhangend van aard te zijn, wil sprake zijn van een gewapend conflict. Ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een zodanig conflict. De rechtbank maakt deze overweging van de ABRS tot het hare en oordeelt dat in het geval van eiser geen sprake is van een relevante wijziging van het recht, nu niet gebleken is dat ten tijde van het bestreden besluit in Turkije sprake was van gewapende strijd tussen de reguliere Turkse strijdkrachten en één of meer georganiseerde gewapende groepen. Dat er nog geregeld sprake is van onlusten, maakt nog niet dat sprake is van gewapende strijd, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat deze onlusten een aanhoudend en samenhangend karakter hebben. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat in Turkije jegens uitgeprocedeerde asielzoekers of dienstweigeraars sprake is van geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, moet eveneens geconcludeerd worden, wat hier verder ook van zij, dat niet gebleken is dat dit geweld wordt uitgevoerd door een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk gezag, zodat dit betoog reeds hierom faalt. Gelet op het bovenstaande moet geconcludeerd worden dat niet is aangetoond dat in het land van herkomst ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van een binnenlands gewapend conflict. Reeds hierom moet geconcludeerd worden dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn ten aanzien van eiser geen relevante wijziging van het recht is. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl