Rb. 's-Gravenhage 1 juni 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0715
Ongewenstverklaring / recidivegevaar Het recidivegevaar als voorwaarde vindt bevestiging in een uitspraak van de Afdeling van 10 december 2004 (LJN AS4094, r.o. 2.3.1). Voor een ongewenstverklaring dient derhalve een in de persoon van de vreemdeling gelegen liggend risico aanwezig te zijn voor het opnieuw verstoren van de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door enerzijds aan te geven dat het bij de ongewenstverklaring niet gaat om de beoordeling of er recidivegevaar is en anderzijds te stellen dat er bij eiser naar de aard van het delict wel sprake is van recidivegevaar, niet duidelijk heeft gemaakt hoe het (ontbreken van) recidivegevaar een rol heeft gespeeld in de belangenafweging. Verweerder heeft voorts, gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de toekomstgerichte aard van de maatregel, nagelaten deugdelijk te motiveren waarom eiser, ondanks de zeer geringe kans op recidive, gedurende een periode van in beginsel 10 jaren ongewenst dient te worden verklaard. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd en verweerder zal, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit dienen te nemen. De rechtbank merkt daarbij reeds op voorhand op dat voor een onderbouwing van een eventueel recidivegevaar niet kan worden teruggegrepen op de stelling dat zulks reeds uit de aard van het delict zou voortvloeien, nu in het onderhavige geval niet is betwist dat de kans op recidive bij eiser zeer gering is.
De uitspraak op rechtspraak.nl