Rb. 's-Gravenhage 19 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0296
Bevoegdheid tot ongewenstverklaring bij nog niet afgewezen asielaanvraag / belangenafweging bij verzoek opheffing ongewenstverklaring Na besluiten in primo tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid onder c, Vw 2000 en tot weigering van opheffing daarvan, wordt een tweede asielaanvraag gedaan, die met toepassing van artikel 4:6 Awb wordt afgewezen. Voor de beslissingen op bezwaar wordt het afwijzende asielbesluit ingetrokken. Uit de jurisprudentie omtrent procesbelang bij verblijfsprocedures na ongewenstverklaring volgt dat in de onderhavige procedure bij de beoordeling van de bevoegdheidsgrondslag van de ongewenstverklaring, namelijk het niet hebben van rechtmatig verblijf, moet worden vastgesteld of het afwijzende besluit in de verblijfsprocedure standhoudt. In dit geval is dat besluit ingetrokken, is in het bestreden besluit noch in de gevraagde aanvullende reactie geen standpunt omtrent het verblijfsrecht ingenomen. Dus is niet vastgesteld dat rechtmatig verblijf ontbreekt. Verweerder was daarom niet bevoegd tot (handhaving van) de ongewenstverklaring. Verweerder heeft de ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd niet hoeven betrekken bij de ongewenstverklaring, maar diende dat op grond van zijn beleid wel te betrekken bij de vraag of die moest worden opgeheven. Ook diende hij daarbij te betrekken of eiser een 3 EVRM risico liep, hetgeen in het besluit niet is gedaan en wat door intrekking van het asielbesluit in het midden is gebleven. Beroep gegrond; toewijzing van verbod uitzetting en opschorting strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring.
De uitspraak op rechtspraak.nl