Rb. 's-Gravenhage 19 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9960

Verkrachting, meermalen gepleegd. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verdachte heeft op grove wijze zijn seksuele lusten botgevierd op zijn slachtoffers. Om de kans op mogelijke weerstand zo klein mogelijk te maken, heeft verdachte zijn slachtoffers een slaapverwekkend en/of bewusteloos makend middel toegediend, waardoor zij niet meer in staat waren adequaat te reageren en zich tegen verdachte te verzetten. Dat zijn slachtoffers daarbij ook gezondheidsrisico's gelopen hebben, schijnt verdachte niet te deren. Verdachte heeft het de rechtbank onmogelijk gemaakt zich een beeld te vormen van zijn persoonlijkheid doordat hij eerst ter terechtzitting een verklaring over de feiten heeft willen afleggen, en, belangrijker, van meet af aan ieder justitieel onderzoek naar zijn geestvermogens heeft gefrustreerd. Aan het onderzoek van het Pieter Baan Centrum heeft verdachte niet willen meewerken. De rapporteurs van het Pieter Baan Centrum hebben op basis van hun waarnemingen in hun rapportage geconcludeerd dat er niettemin aanwijzingen zijn voor een autistiforme stoornis dan wel, of gecombineerd met, ernstige persoonlijkheidspathologie. Dat verdachte lijdt aan een stoornis kan evenwel niet vastgesteld worden als gevolg van zijn weigering zich te laten onderzoeken. Daarmee blijft onduidelijk in hoeverre de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, en of de kans bestaat dat verdachte in de toekomst wederom dergelijke feiten zal plegen. Bij deze stand van zaken zal een vorm van behandeling geen onderdeel van de afdoening van deze zaak kunnen zijn. Vanwege de uitzonderlijke ernst van de bewezen verklaarde feiten zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van langere duur opleggen. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de feiten verdachte volledig kunnen worden toegerekend. Met de omstandigheden waaronder verdachte in Brazilië heeft vastgezeten zal de rechtbank slechts zeer ten dele rekening houden. Aan de andere kant ziet de rechtbank geen aanleiding verdachte de geëiste maximumstraf van zestien jaren op te leggen, omdat dit niet in verhouding zou staan met straffen die in het algemeen plegen te worden opgelegd bij zedendelicten of bij levensdelicten, zoals moord, en voorts omdat verdachte van het telastgelegde in de vijfde zaak wordt vrijgesproken. Straf gegrond op de artikelen - 24c, 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 57, 81, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf van 10 jaar, met aftrek. Vorderingen tot schadevergoeding van vier benadeelde partijen toegewezen, één benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen