Rb. 's-Gravenhage 15 juni 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9775
Wetsartikel: art. 25 Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) Art. 25 BRK staat het land van oprichting van een houdstermaatschappij een extraterritoriale heffing over de winst van de houdstermaatschappij van maximaal 4% toe. Daardoor kan art. 25 BRK tot dubbele belastingheffing leiden, welke uitkomst haaks staat op doel en strekking van de BRK als geheel. Er is dan ook geen grond om aan art.25 BRK een wijdere toepassing te geven dan die welke past bij het voorwerp en doel van de bepaling. Dit brengt mee dat ook het begrip ‘houdstermaatschappij’ in art. 25 BRK eng dient te worden geïnterpreteerd. Het omvat uitsluitend lichamen waarvan de activiteiten (nagenoeg) geheel bestaan uit het beheer van deelnemingen. Nu eiseres niet slechts deelnemingen beheert, maar tevens de moedermaatschappij is van een fiscale eenheid en in die kwaliteit anders dan bijkomstig een actieve commerciële onderneming drijft, is zij geen houdstermaatschappij in de zin van art. 25 BRK. Voorts bevat art. 25 BRK, naast de eerdergenoemde uitbreiding van de heffingsbevoegdheid van het land van oprichting van een houdstermaatschappij in de vorm van een extraterritoriale heffing, niet tevens een beperking van de territoriale heffing van dat land.
De uitspraak op rechtspraak.nl