Rb. 's-Gravenhage 3 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9420

Bevoegdheid minister Ingevolge artikel 46, tweede lid, van de Grondwet treedt een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister. Op grond van het besluit van de minister van 22 maart 2007 (Stcrt. 4 april 2007, nr. 67, p. 14) is - voor zover van belang - de staatssecretaris vanaf 22 februari 2007 binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid meer in het bijzonder belast met aangelegenheden betreffende vreemdelingenzaken, telkens met inbegrip van de met de uitvoering van het beleid op dit terrein belaste organisatieonderdelen van het Ministerie van Justitie. Aangelegenheden betreffende de Rijkswet op het Nederlanderschap en de grensbewaking worden niet gerekend tot het voornoemde beleidsterrein. Uit voornoemd besluit volgt dat de staatssecretaris bevoegd was een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De verantwoordelijkheid van de staatssecretaris dienaangaande laat echter, blijkens artikel 46, tweede lid, van de Grondwet de verantwoordelijkheid van verweerder onverlet. Gelet op de staatsrechtelijke positie van de staatssecretaris ten opzichte van de minister, was verweerder derhalve eveneens bevoegd het bestreden besluit te nemen. Omrent de bevoegdheid tot het opleggen van een beschikking als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank dat deze is toegekend aan de ambtenaren genoemd in artikel 46 van de Vw 2000. Blijkens de wetsgeschiedenis - in samenhang met het hiervoor aangehaalde besluit van verweerder van 22 maart 2007 - oefenen zij deze bevoegdheid uit onder gezag van de minister (TK 1999-2000, 26732, nr. 3, m.b.t. de artikelen 44 en 46 van het wetsvoorstel, en nr. 7, p. 192, alsmede de artikelen 3, 4 en 4a van de Vw (oud)). Op grond van artikel 48, tweede lid, van de Vw 2000 kan de minister daartoe algemene en individuele aanwijzingen geven. Vanwege deze gezagsrelatie, merkt de rechtbank de minister ook ten aanzien van het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel als verweerder aan. Voor zover in het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is overwogen dat er aanleiding bestaat ten aanzien van eiser de opgelegde maatregel voort te zetten, merkt de rechtbank deze passage aan als een individuele aanwijzing. Deze aanwijzing ligt, als motivering voor het voortduren van de maatregel, ter toetsing voor in het beroep tegen de oplegging en de voortduring van de maatregel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen