Rb. 's-Gravenhage 10 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9210

In geschil is de aansprakelijkheid voor onbetaalde declaraties voor procureurswerkzaamheden die [A] Advocaten heeft verricht. [C] is de advocaat die is opgetreden in de procedures waarvoor de procureurswerkzaamheden zijn verricht. Vooralsnog moet worden aangenomen dat hij de feitelijk opdrachtgever voor de werkzaamehden is geweest. Ingevolge artikel 6:248 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke uit onder meer gewoonte voortvloeien. Tussen partijen staat vast dat de tussen hen als advocaten geldende gedragsregels onder meer inhouden dat [C] moet instaan voor de declaraties voor deze werkzaamheden. Deze gedragsregel moet als een gewoonte in de advocatuur in de zin van artikel 6:248 BW worden aangemerkt. Aangezien gesteld noch gebleken is dat partijen een hiervan afwijkende afspraak hebben gemaakt, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat uit de feitelijk door [C] gegeven opdracht voortvloeit dat ook hij jegens [A] Advocaten dient in te staan voor hetgeen is verschuldigd voor de ten behoeve van hem als advocaat (althans zijn cliënten) verrichte procureurswerkzaamheden. De voorzieningenrechter wijst nog op het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage d.d. 30 juli 2003 (PRG 2004, 6221).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen