Rb. 's-Gravenhage 12 juni 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9127

Verzoekster heeft verweerder, de basisschool waar haar zoontje op zit, verzocht om haar zoontje de twee weken voorafgaand aan de zomervakantie verlof te verlenen. Het verzoek is door verweerder afgewezen. In dit geding dient de vraag beantwoord te worden of verweerder, gezien het wettelijk kader, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Verzoekster is van mening dat deze vraag ontkennend beantwoord dient te worden en heeft daartoe aangevoerd dat verlof mogelijk is als het door het beroep van één van de ouders niet mogelijk is dat zij tijdens de schoolvakantie met vakantie gaan Verweerder heeft het verzoek getoets aan het bepaalde in artikel 11, aanhef en onder g, jo. artikel 14 van de Lpw. Verweerder stelt immers dat het beleid van de basisschool is dat extra vakantieverlof uitsluitend wordt verleend voor bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld van familiaire aard), die zich niet jaarlijks voordoen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze rechtsgrond niet juist. Nu expliciet is gevraagd om tien dagen vakantieverlof wegens de aard van het beroep van de ouders, is artikel 11, aanhef en onder f, jo. artikel 13a van de Lpw in het onderhavige geval van toepassing. Het bestreden besluit ontbeert een juiste wettelijke grondslag, is derhalve ondeugdelijk gemotiveerd en is daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat verzoekster en haar echtgenoot door de specifieke aard van hun beroep geen vakantie in de reguliere schoolvakantie kunnen opnemen en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen