Rb. 's-Gravenhage 23 mei 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8786
WAV / seizoenarbeid / deelname georganiseerd wervingsproject In beginsel vormt het voorhanden zijn van prioriteitgenietend aanbod reeds een (verplichte) weigeringsgrond. Het systeem van de Wet arbeid vreemdelingen brengt echter mee, dat indien de werkgever voldoende wervingsinspanningen verricht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, Wav, maar zonder resultaat, niet langer kan worden uitgegaan van de veronderstelling dat voldoende prioriteitgenietend arbeidsaanbod beschikbaar is, zodat in dat geval aan beide weigeringsgronden voorbij moet worden gegaan. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de werkgever met haar eigen wervingsactiviteiten onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht. De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van de werkgever ligt aannemelijk te maken dat zij heeft deelgenomen aan het Project seizoenarbeid CWI/LTO 2005. De projectleider van het Project seizoenarbeid heeft bij brief van 25 juli 2006 desgevraagd aan de rechtbank bevestigd dat de werkgever niet heeft deelgenomen aan het Project seizoenarbeid 2005. Hij heeft toegelicht dat de werkgever weigert de rekening van deelname aan het project 2002 te betalen en dat zij daarom niet zal worden ingeschreven totdat zij de rekening over 2002 heeft betaald. De door de werkgever overgelegde bewijsstukken overtuigen de rechtbank niet. Verweerder heeft in de in beroep gestelde, maar niet nader onderbouwde financiële problemen van de werkgever geen reden hoeven zien aan de niet-deelname aan het project voorbij te gaan, reeds omdat financiële problemen in het algemeen geen rechtvaardiging vormen voor een commercieel opererend bedrijf om niet aan wettelijke verplichtingen te voldoen. Uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de werkgever toerekenbaar niet heeft deelgenomen aan het Project seizoenarbeid 2005 ter vervulling van haar vacatures. Ingevolge artikel 22 Wav stelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister) nadere regels ter bevordering van een goede uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen. De rechtbank is van oordeel dat de minister de grenzen van deze regelgevende bevoegdheid niet heeft overschreden bij de nadere regeling voor de uitvoering van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, Wav, door in paragraaf 32 Uitvoeringsregels te bepalen dat een tewerkstellingsvergunning in de regel dient te worden geweigerd indien de werkgever onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht en dat van onvoldoende wervingsinspanningen in ieder geval sprake is indien een werkgever zonder ernstige reden niet deelneemt aan gezamenlijke wervings- of scholingsprojecten in zijn branche. Paragraaf 32 Uitvoeringsregels houdt weliswaar een beperking in van de discretionaire bevoegdheid van verweerder op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, Wav, maar deze beperking brengt niet mee dat daardoor sprake is van een imperatieve weigeringsgrond. In paragraaf 32 Uitvoeringsregels is immers bepaald dat in de regel een tewerkstellingsvergunning dient te worden geweigerd indien de werkgever onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht, waardoor voor verweerder enige discretionaire bevoegdheid een tewerkstellingsvergunning te verlenen, is opgelaten ook als onvoldoende wervingsinspanningen zouden zijn verricht. Voorts kan op grond van paragraaf 32 Uitvoeringsregels toch een tewerkstellingsvergunning worden verleend indien de werkgever wegens een ernstige reden niet heeft deelgenomen aan gezamenlijke wervingsprojecten in zijn branche. Dat in 2004 en 2006 andere (beleids)regels golden, brengt niet mee dat verweerder gehouden was in 2005 vergunningen volgens die regels te verlenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl