Rb. 's-Gravenhage 5 juni 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8538
Intrekking verblijfsvergunning / toetsing aan artikel 3 EVRM / medische situatie Verweerder heeft de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken, nu eiser bij zijn asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn etniciteit en herkomst. Eiser is niet zoals bij zijn asielaanvraag gesteld afkomstig uit Soedan, maar uit Nigeria. Eiser heeft dit erkend, doch is het desondanks niet eens met de intrekking, nu verweerder ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de intrekking een schending van artikel 3 EVRM oplevert. In dit verband heeft eiser onbetwist aangevoerd dat hij lijdt aan de ziekte AIDS. Intrekking brengt met zich mee dat eiser uitzetbaar is naar Nigeria, wat tot gevolg zal hebben dat hij verstoken zal blijven van de voor hem zo noodzakelijke medicatie, aldus eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij intrekking van een verblijfsvergunning geen plaats is voor toetsing aan artikel 3 EVRM. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 intrekking van een verblijfsvergunning onder andere met zich brengt dat eiser uit eigen beweging het land zal dienen te verlaten, bij gebreke waarvan hij (in beginsel) kan worden uitgezet. De rechtbank is met eiser van oordeel dat, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd omtrent zijn gezondheidstoestand, bij intrekking van zijn verblijfsvergunning had dienen te worden onderzocht of aannemelijk is dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar zijn land van herkomst of elders. Het EHRM heeft in zijn uitspraak van 15 november 1996 (NJ 1997, 301) overwogen dat, zodra er reden is om aan te nemen dat een reëel risico bestaat dat iemand aan een behandeling zal worden onderworpen die in strijd is met artikel 3 EVRM indien hij naar een andere staat wordt uitgezet, op de lidstaat de verantwoordelijkheid rust hem daarvoor te behoeden en dat het gedrag van de persoon in kwestie niet bij de besluitvorming kan worden meegewogen. Artikel 3 EVRM is een absoluut recht. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS dient toetsing aan artikel 3 EVRM onderdeel uit te maken van de beslissing tot afwijzing van een verblijfsvergunning. De rechtbank ziet niet in waarom hierover anders geoordeeld dient te worden bij intrekking van een verblijfsvergunning dan bij afwijzing van een aanvraag. De conclusie is dan ook dat verweerder ten onrechte toetsing aan artikel 3 EVRM achterwege heeft gelaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl