Rb. 's-Gravenhage 25 juni 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA7885

Eiser die in 2002 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en verblijft in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, locatie Alphen aan den Rijn, vordert in dit kort geding a) te bevelen dat de gedaagden sub 2, sub 3 en sub 4 (de secretaris-generaal van het ministerie van justitie, een advocaat-generaal in het ressortsparket 's-Hertogenbosch en de hoofddirecteur van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van justitie) zich zullen onthouden van iedere bemoeienis met de (rechts)positie van eiser, in ieder geval totdat beslist zal zijn op de namens eiser gedane aangifte en b) te bevelen dat het eiser in beginsel zal worden toegestaan om in redelijke mate contacten te onderhouden met vertegenwoordigers van de media naar aanleiding van zijn strafrechtelijke veroordeling en op de namens hem gedane aangifte. Cruciaal voor de toewijsbaarheid van de vordering onder a) is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de vraag of gedaagde sub 2. zich schuldig heeft gemaakt aan (een van) de zeer ernstige misdrijven waarvan eiser hem beschuldigt. Dit is in dit kort geding echter niet aannemelijk geworden, terwijl in het beperkte kader van deze procedure geen plaats is voor verdere bewijslevering zoals het doen horen van getuigen, hetgeen eiser overigens ook niet heeft aangeboden. De voorzieningenrechter wijst de vordering onder a) af. Wat de vordering onder b) betreft verklaart de voorzieningenrechter eiser niet-ontvankelijk, omdat er voor hem in dit verband een bijzondere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, te weten de mogelijkheid tot het in voorkomend geval indienen van een klacht bij de beklagcommissie, eventueel gevolgd door het instellen van beroep bij de beroepscommissie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen