Rb. 's-Gravenhage 18 april 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6116

Ongewenstverklaring / geen ambtshalve toetsing of juiste beleid is toegepast / strijd met artikelen 4:84 en 3:4 van de Awb Verweerder heeft het bestreden besluit evenals het primaire besluit tot ongewenstverklaring van eiser niet getoetst aan zijn beleid dienaangaande, zoals neergelegd in onderdeel B1/2.2.4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), maar aan het beleid betreffende de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens gevaar voor openbare orde zoals opgenomen in onderdeel B1/2.2.4.1 van de Vc 2000. De rechtbank heeft zich evenwel niet gehouden geacht om ambtshalve, dat wil zeggen zonder dat daarvoor een beroepsgrond is voorgedragen, te onderzoeken of verweerder het juiste beleid heeft toegepast, daar door een bestuursorgaan vastgesteld beleid geen recht is in de zin van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb. Daarbij heeft de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 februari 2004, AB 2004, 286 verwezen. Het vorenstaande in aanmerking nemende en in weerwil van haar vraag betreffende het toepasselijke beleid aan verweerder ter zitting, heeft de rechtbank het bestreden besluit getoetst aan het beleid betreffende de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens gevaar voor openbare orde, zoals neergelegd in onderdeel B1/2.2.4.1 van de Vc 2000. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil zich onder meer toespitst op de vraag of het bestreden besluit in strijd met artikel 4:84 van de Awb en artikel 3:4 van de Awb is genomen. Met verweerders in onderdeel B1/2.2.4.1 van de Vc 2000 neergelegde beleid dat, na ommekomst van tien jaar na invrijheidstelling van de vreemdeling het gepleegde drugs- of geweldsmisdrijf niet meer wordt tegengeworpen bij een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat het misdrijf ook niet langer tot ongewenstverklaring leidt, wordt voorkomen dat een vreemdeling ten gevolge van een eens gepleegd misdrijf nimmer meer tot Nederland zou kunnen worden toegelaten. Voornoemd beleid, waarbij verweerder bij de aanvang van de termijn (mede) uitgaat van het moment van het ten uitvoer gelegd zijn van de opgelegde straf teneinde te voorkomen dat de bedoelde termijn verstrijkt voordat de straf ten uitvoer is gelegd, heeft de rechtbank in beginsel niet kennelijk onredelijk geacht. Echter, nu verweerder na aanhouding van eiser heeft besloten eiser op 31 december 2001 Nederland uit te zetten, heeft verweerder de tenuitvoerlegging aan de aan eiser opgelegde gevangenisstraf onuitvoerbaar gemaakt en heeft hij niet in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat eiser zich langdurig heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf. Bovendien heeft verweerder evenmin bij eisers aankomst in Nederland op 7 juli 2003 de aan eiser opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer gelegd. Met de ten uitvoerlegging van de straf is eerst aanvang 2004 begonnen. De rechtbank heeft verder nog geconcludeerd dat verweerders beleid waarbij een eens gepleegd misdrijf niet blijvend wordt tegengeworpen, door het ontbreken van een concreet uitzettingsbeleid ten aanzien van vreemdelingen die tot een gevangenisstraf zijn of worden veroordeeld, willekeurig is en bovendien illusoir kan worden. Immers, door over te gaan tot uitzetting van de vreemdeling voor of tijdens de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf, kan worden bewerkstelligd dat een vreemdeling nimmer dan wel eerst na een termijn langer dan de in het voornoemde beleid van verweerder aangegeven termijn tot Nederland wordt toegelaten. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat verweerder zich zonder nadere motivering in het kader van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid ingevolge het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb en van het evenredigheidsbeginsel ingevolge het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de tienjarentermijn aanvangt op de dag van eisers invrijheidstelling op 17 mei 2005. Door beide partijen is hoger beroep ingediend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen