Rb. 's-Gravenhage 6 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2120
Turkse zelfstandige / wezenlijk Nederlands economisch belang / standstill-bepaling Verweerder heeft de bedrijfsomschrijving van eiser aangemerkt als de in paragraaf B5/9.1.4. van de Vc 2000 genoemde overige horecabedrijven, zodat met de bedrijfsactiviteit van eiser volgens verweerder geen wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend en de onderhavige aanvraag niet voor advies aan de Minister van Economische Zaken behoefde te worden voorgelegd. Eiser stelt dat indien hem het criterium van het wezenlijk Nederlands economisch belang tegen wordt geworpen, zulks dient te gebeuren met de inhoudelijke invulling welke aan dit criterium werd gegeven op het moment van inwerkingtreding van de standstill-bepaling op 1 januari 1973. Eiser stelt zich in dat kader op het standpunt dat er aanknopingspunten zijn dat het HvJEG zal oordelen dat de nadere invulling van het criterium 'wezenlijk Nederlands economisch belang' een verdergaande beperking is met betrekking tot de vrijheid van vestiging dan het beleid dat op 1 januari 1973 gold en dat dit huidige beleid in strijd is met voornoemde standstill-bepaling. Dientengevolge meent eiser dat in de onderhavige zaak op dit punt prejudiciële vragen aan het HvJEG dienen te worden gesteld. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat niet kan worden getoetst aan welke criteria een Turks onderdaan die zich als zelfstandige wilde vestigen in 1973 diende te voldoen, nu verweerder de Nederlandse regelgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de standstill-bepaling niet heeft overgelegd. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat bij de beoordeling of met het verblijf hier te lande van de vreemdeling die om toelating verzoekt voor het verrichten van arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend, thans strengere eisen worden gesteld dan op 1 januari 1973 gebeurde en evenmin voor het oordeel dat het thans ter zake zelfstandigen gevoerde toelatingsbeleid op dit punt in strijd is met de standstill-bepaling. De rechtbank constateert evenwel dat de Afdeling zich niet expliciet heeft uitgesproken over de vraag of het in B5/9 van de Vc 2000 neergelegde beleid, inhoudende de aanwijzing van categorieën bedrijven, waarvan wordt aangenomen dat daarmee geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend en ten aanzien van welke geen advies wordt ingewonnen bij de Minister van Economische Zaken, een nieuwe beperking inhoudt in de zin van de standstill-bepaling. De rechtbank ziet zich daarom thans geplaatst voor de beantwoording van de vraag of dit in B5/9 neergelegde beleid in strijd is met voornoemde standstill-bepaling. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat de door verweerder ter zitting gegeven toelichting, dat het beleid van verweerder, inhoudende dat voor bepaalde categorieën werkzaamheden geen advies hoeft te worden gevraagd aan de Minister van Economische Zaken omdat met deze bedrijfsactiviteiten geen wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, slechts een procedurele regel betreft en geen materiële regel, onweersproken is gebleven door eiser. Naar het oordeel van de rechtbank valt het bovendien binnen het domein van de deskundigheid van de Minister van Economische Zaken om te oordelen dat bepaalde categorieën bedrijfsactiviteiten niet langer individueel behoeven te worden getoetst in het licht van het wezenlijk Nederlands economisch belang en op voorhand een voor een categorie geldend oordeel te geven. Achterliggende gedachte daarbij is dat een aparte toets in een individuele zaak aan de hand van dezelfde deskundigheid telkens hetzelfde resultaat zal opleveren. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om, zoals eiser heeft verzocht, verweerder op te dragen archiefonderzoek te verrichten en stukken over te leggen inzake het op 1 januari 1973 gevoerde beleid. Uit een vergelijking met het thans gevoerde beleid zou volgens eiser kunnen blijken dat het beleid in de praktijk thans strikter in de zin van ongunstiger wordt uitgevoerd dan tot 1 januari 1973 het geval was. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die voor een dergelijke vooronderstelling steun zouden kunnen bieden. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat, zoals verweerder heeft gesteld, het begrip wezenlijk Nederlands economisch belang een dynamisch karakter heeft. Zo er derhalve op voorhand al verschillen in de uitvoering van het beleid zouden zijn aan te wijzen, dan moeten die bezien worden tegen de achtergrond van de sociaaleconomische ontwikkelingen in de loop der tijd en hoeven die verschillen niet direct te duiden op een aanscherping van het beleid.
De uitspraak op rechtspraak.nl