Rb. 's-Gravenhage 2 april 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2050

Veka Best tegen CBR. Veka Best vordert CBR te verbieden om nog langer theorie-examens af te nemen in de huidige vorm, onder meer omdat uit onderzoek blijkt dat de theorie-examens in aanzienlijke mate onbegrijpelijk zijn voor de gemiddelde burger. Veka Best heeft haar stelling dat zij als producent van verkeersleermiddelen door de vermeende gebrekkige examens direct wordt getroffen in haar eigen belangen, onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat Veka Best optreedt namens een groep gedupeerde examenkandidaten in een collectieve actie in de zin van artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW) of dat zij moet worden aangemerkt als een publiekrechtelijk rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305b BW. Veka Best wordt in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. In reconventie vordert CBR Veka Best te veroordelen tot betaling van een voorschot in de daadwerkelijke advocaatkosten van CBR, omdat partijen reeds uitvoerig hebben geprocedeerd over de vraag of CBR de vigerende Europese regelgeving en de uitvoeringsregelingen al dan niet naleeft met de huidige vorm en inhoud van de theorie-examens en Veka Best in twee instanties in het ongelijk is gesteld. Veka Best maakt volgens CBR misbruik van procesrecht nu zij CBR opnieuw in rechte betrekt. De voorzieningenrechter kan CBR daarin niet volgen en wijst de vordering in reconventie af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen