Rb. 's-Gravenhage 14 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1570
Richtlijn 2003/86/EG / openbare orde Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen o.g.v. art. 16 lid 1 onder a Vw 2000. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat het beleid inzake het tegenwerpen van openbare orde-bezwaren, neergelegd in paragraaf B1/2.2.4.1 Vc 2000, niet in overeenstemming is met Richtlijn 2003/86/EG. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, voorzover verzoekster via eerdergenoemde bepaling in de Vc 2000 alsnog rechten kan ontlenen aan de Richtlijn, dit verzoekster niet baat. Uit het besluit tot wijziging van het Vb 2000 van 29 september 2004 blijkt dat implementatie van de Richtlijn niet heeft geleid tot wijziging van de regeling inzake het vormen van een gevaar voor de openbare orde, als neergelegd in artikel 3.77 Vb 2000 noch tot aanpassing van paragraaf B1/2.2.4.1 Vc 2000. Dit klemt te meer nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat uit considerans 14 van de Richtlijn, anders dan verzoekster heeft betoogd, niet blijkt dat gezinshereniging wegens het vormen van een gevaar voor de openbare orde slechts geweigerd kan worden in geval van een veroordeling wegens een ernstig misdrijf. De voorzieningenrechter leidt dit af uit de ‘kan-bepaling’ in considerans 14, terwijl ook artikel 6 noch artikel 17 van de Richtlijn aanleiding geeft voor een andersluidend standpunt. Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het hier van toepassing zijnde openbare orde-beleid niet is gewijzigd naar aanleiding van het van overeenkomstige toepassing verklaren van de Richtlijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op juiste wijze toepassing gegeven aan zijn, door de voorzieningenrechter niet onredelijke geachte, beleid en in redelijkheid kunnen besluiten tot afwijzing van de aanvraag van verzoekster wegens een gevaar voor de openbare orde. Afwijzing vovo en bezwaar ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl