Rb. 's-Gravenhage 9 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0999
De curator heeft de woning, waarop het retentierecht betrekking had, opgeëist in de zin van artikel 60 lid 3 Fw teneinde op basis van een afspraak met de Rabobank over te gaan tot verkoop van de woning in de zin van artikel 58 lid 2 Fw, hetgeen kan worden aangemerkt als een zogeheten lossing (HR 13-03-1987, NJ 1988, 556 en 3-12-1993, NJ 1994, 176; voorts Hof Leeuwarden 29-5-2002, JOR 2002, 181). Na een vaststelling van de vordering van verzoekster is het hierboven uitgaande bedrag aan de Rabobank als hypotheekhouder betaald; het aan verzoekster als retentor toekomende bedrag is aan de boedel toegekomen. De consequentie is derhalve dat verzoekster als retentor wel meedeelt in de faillissementskosten en dat de Rabobank als hypotheekhouder hier buiten blijft. Het gegeven dat deze consequentie als onredelijk wordt ervaren doet aan het bovenstaande niet af, te meer niet nu een en ander in overleg tussen curator, Rabobank en verzoekster heeft plaatsgevonden. Andere omstandigheden of factoren die zouden kunnen leiden tot een andere beslissing zijn noch gesteld noch gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl