Rb. 's-Gravenhage 13 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0571

In het testament van zijn vader is eiser tot enig erfgenaam benoemd. Aan zijn echtgenote heeft eisers vader een zogenaamd keuzelegaat onder inbreng van de waarde toegekend. Na het overlijden van eisers vader is deze inbrengschuld omgezet in een geldlening van eisers moeder aan eiser. Als gevolg van het overlijden van eisers moeder zijn met betrekking tot deze schuldvordering de hoedanigheden van schuldenaar en schuldeiser in de persoon van eiser als enig erfgenaam verenigd, waardoor vermenging in de zin van artikel 6:661 BW is opgetreden. In geschil is of verweerder de per 31 december 2000 schuldig gebleven rente over deze vordering op grond van artikel I, onderdeel AK, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 terecht heeft begrepen in het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Noch uit de tekst van artikel 33 van de Wet IB 1964, noch uit de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling blijkt dat de wetgever een zelfstandige fiscale betekenis van het daarin neergelegde begrip 'verrekening' voor ogen heeft gestaan, inhoudend dat dit begrip moet worden geacht mede te zien op de situatie dat vermenging is opgetreden. Beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen