Rb. 's-Gravenhage 22 februari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9970
Intrekken verblijfsvergunning / terugwerkende kracht / onjuiste gegevens Aan eiser is bij besluit van 25 oktober 1996 een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, met ingang van 20 september 1994, geldig tot 20 september 1995, onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot 20 september 1997. Deze vvtv is per 20 september 1997 omgezet in een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Per 1 april 2001 is deze vergunning van rechtswege omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. In 1998 en 1999 heeft verweerder eiser gehoord in het kader van een bezwaarschrift tegen de afwijzing van de aanvraag tot toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf. Op dat bezwaarschrift is in 2002 beslist. Naar aanleiding van deze gehoren heeft verweerder twee taalanalyses laten verrichten en is de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Liberia, het land waar eiser van heeft gesteld de nationaliteit te bezitten, onderzoek te doen. Op grond van de taalanalyses en de resultaten van het individueel ambtsbericht heeft verweerder geconcludeerd dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die, indien ze bekend waren geweest bij het verlenen van de vergunning, tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van de vergunning zouden hebben geleid. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 9 februari 2006 de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 20 september 1994. De rechtbank heeft het besluit van 9 februari 2006 zo begrepen dat de onderhavige intrekking in feite zowel een intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (voorheen de vvtv) als een intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd betreft. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de aan hem verleende verblijfsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken en deze tevens niet heeft kunnen intrekken met ingang van 20 september 1994. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning weliswaar heeft kunnen intrekken, echter niet met terugwerkende kracht tot 20 september 1994, zijnde de datum van het verlenen van de vvtv, omdat de vvtv nadien is omgezet in een vergunning tot verblijf zonder beperkingen en derhalve ten tijde van de intrekkingsbeslissing was beëindigd. Gelet hierop heeft de intrekking hoogstens kunnen terugwerken tot de datum van het verlenen van de per 1 april 2001 van rechtswege omgezette vergunning tot verblijf zonder beperkingen, zijnde 20 september 1997. Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning tot een eerdere datum dan 20 september 1997, gegrond verklaard. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl