Rb. 's-Gravenhage 15 januari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9739
Intrekken verblijfsvergunning / onjuiste gegevens / geloofwaardigheid verklaringen collega's De door verzoeker ten tijde van zijn tweede asielaanvraag overgelegde stukken dienen te worden opgevat als bewijsstukken van door hem reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden betreffende zijn werkzaamheden op het ministerie van Binnenlandse Zaken in Afghanistan. Met betrekking tot die stukken heeft de voorzieningenrechter onder meer het volgende geoordeeld. De omstandigheid dat enkele personen waarvan verzoeker een verklaring heeft overgelegd voormalige collega’s van hem zijn, betekent niet noodzakelijk dat zij niet met een zekere mate van objectiviteit kunnen verklaren over de aard en inhoud van de door verzoeker verrichtte werkzaamheden. Ofschoon de vroegere werkrelatie wel een rol kan spelen bij de waardering van hun verklaringen over verzoekers werkzaamheden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat die verklaringen niet als bewijsstukken in de zin van artikel 4:6 Awb kunnen worden aanvaard omdat ze niet afkomstig zijn uit een objectieve bron. Van de verklaringen betreffende de door verzoeker verrichtte werkzaamheden kan niet worden gezegd dat op voorhand is uitgesloten dat ze kunnen afdoen aan het eerdere besluit. Aan het besluit tot intrekking van verzoekers verblijfsvergunning ligt immers ten grondslag dat verzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn werkzaamheden. De vraag of de verklaringen, gelet op de mate van objectiviteit van de personen die ze hebben afgelegd en de vrij beperkte inhoud ervan, daadwerkelijk afdoen aan het eerdere besluit, vereist een diepgaander beoordeling dan de vraag of op voorhand uitgesloten is dat ze daaraan kunnen afdoen. Toewijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl