Rb. 's-Gravenhage 1 februari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ8693

Art. 9.10 Vb / vvtv-beleid / duur vergunning tot verblijf op basis van beschermingsbeleid Nadat de rechtbank heeft vastgesteld dat eiser op 3 februari 2001 in aanmerking kwam voor verlenging van zijn verblijfsvergunning op basis van het toentertijd gevoerde vvtv-beleid, ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag wat de geldigheidsduur van die vergunning had moeten zijn. Daarbij is van belang dat het destijds gevoerde vvtv-beleid op 24 september 2001 is afgeschaft. Verweerder was weliswaar op grond van artikel 9.10 van het Vb in afwijking van artikel 3.105 van het Vb bevoegd een vergunning te verlenen voor acht maanden, maar verweerder was daartoe niet gehouden. Toepassing van deze bevoegdheid vergt een afzonderlijke belangenafweging, die in het bestreden besluit niet is gemaakt. Verder was verlening van een vergunning voor een kortere periode dan één jaar niet overeenkomstig het beleid dat gold voor vergunningen als de onderhavige. Deze werden doorgaans voor één jaar verleend. Ook uit de toelichting op artikel 9.10 van het Vb blijkt dat deze bepaling in beginsel slaat op vergunningverlening per jaar dan wel per twee jaar. Voorts was verweerder na afschaffing van het vvtv-beleid bevoegd tot intrekking van de op dat beleid gebaseerde vergunning, maar verweerder is daartoe niet gehouden. Toepassing van deze bevoegdheid vergt eveneens een afzonderlijke belangenafweging, die bij het nemen van het thans bestreden besluit niet is gemaakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen