Rb. 's-Gravenhage 23 januari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7578
Bewaring / bevoegdheid hulpofficier van justitie Het besluit tot oplegging van de vrijheidontnemende maatregel van 3 januari 2007 is ondertekend door de hulpofficier van justitie namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Uit het Koninklijk Besluit (KB) van 14 december 2006, nummer 06.004621, volgt dat de Minister van Justitie bevoegd was de onderhavige vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Ingevolge artikel 5.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv 2000) wordt de maatregel, bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 opgelegd en opgeheven door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000, die tevens hulpofficier van justitie is. Ingevolge artikel 1.3, eerste volzin, van het Vv 2000 worden, voor zover uit een wettelijk voorschrift niet anders voortvloeit, de bevoegdheden genoemd in deze regeling uitgeoefend namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Mede gelet op de uitspraak van de AbRS van 10 oktober 2001 (JV 2001/324) houdt artikel 5.3 van het Vv 2000 een mandatering in van de toenmalige Minister van Justitie aan de aldaar genoemde hulpofficier van justitie. Vervolgens is bij besluit van 29 juli 2002 (Stcrt. 1 augustus 2002, nr. 145, p. 6) met ingang van 22 juli 2002 voornoemd artikel 1.3 van het Vv 2000 gewijzigd in die zin dat waar eerst stond de Minister van Justitie, dit is gewijzigd in de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Deze wijziging is blijkens de toelichting daarop doorgevoerd ter vermijding van misverstanden. Eerder genoemd KB van 22 juli 2002 vormt volgens de toelichting de basis van de bevoegdheden van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Aangenomen moet dan ook worden dat tot 14 december 2006 artikel 5.3 van het Vv 2000 een mandatering inhield van de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de aldaar genoemde hulpofficier van justitie. Op grond van het KB 14 december 2006 omvat deze bepaling sinds die datum een mandatering van de huidige Minister van Justitie aan de aldaar genoemde hulpofficier van justitie. Dat artikel 1.3 van het Vv 2000 thans (nog) niet is gewijzigd, kom in dit verband geen betekenis toe. Uit het voorgaande volgt dat de hulpofficier van justitie bevoegd was namens de Minister van Justitie de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Het besluit is derhalve bevoegd genomen. Dat in het besluit in strijd met artikel 10:10 van de Awb een verkeerd bestuursorgaan is vermeld namens hetwelk het besluit is genomen, wordt door de rechtbank aangemerkt als schending van een vormvoorschrift. Nu niet is gesteld of gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad zal de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 26 november 2003 (200305882/1).
De uitspraak op rechtspraak.nl