Rb. 's-Gravenhage 11 januari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7207
Bewaring / Verordening EG 562/2006 / Schengen uitvoeringsovereenkomst De rechtbank stelt aan de hand van de door verweerder overgelegde stukken vast dat zich in eisers (geldige) Angolese nationaal paspoort een (D-)visum bevindt voor toegang in Portugal dat geldig is van 2 september 2006 tot 8 augustus 2007. Met betrekking tot eisers stelling dat het hem op grond van artikel 5 van de Sgc vrij stond zich te verplaatsen in onder meer Nederland en Duitsland, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het door eiser ingeroepen artikel 5 van de Sgc ziet op de voorwaarden met betrekking tot het overschrijden van de buitengrenzen, hetgeen in de onderhavige zaak niet aan de orde is. In hoofdstuk 4 van de SUO zijn de voorwaarden voor reisverkeer van vreemdelingen opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met betrekking tot eisers visum op goede gronden op het standpunt gesteld dat het visum geen geldige verblijfstitel in de zin van artikel 21, eerste lid, van de SUO, noch een eenvormig visum in de zin van artikel 10, eerste lid, van de SUO betreft. De rechtbank overweegt in dit verband dat sprake is van een visum en niet van een verblijfstitel. Omdat eisers visum van 2 september 2006 tot 8 augustus 2007 geldig is, betreft dat visum evenmin het eenvormig visum als bedoeld in artikel 10 of 11 van de SUO, nu eisers visum een recht op verblijf in Portugal van langer dan drie, dan wel zes maanden geeft en dat zijn visum voorts een reisvisum noch een doorreisvisum betreft. De rechtbank stelt vast dat eisers visum slechts recht geeft op verblijf in Portugal en om die reden territoriaal beperkt is. Evenmin kan eisers visum gelden als “Schengenvisum” als omschreven in paragraaf A2/4.3.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De aan eiser opgelegde maatregel kan (ook overigens) de rechterlijke toetsing doorstaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl