Rb. 's-Gravenhage 22 januari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ6755

Bewaring / bevoegdheidsgebrek / herverdeling van taken Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbewaringstelling onbevoegd is geschied, nu de maatregel is opgelegd “namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie”, welke Minister na het Koninklijk Besluit van 14 december 2006 (nr. 06.004621) niet meer met deze beleidsterreinen is belast. Verweerder erkent dat er een bevoegdheidsgebrek is nu de maatregel niet namens de Minister van Justitie is opgelegd, maar stelt zich op het standpunt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad en de maatregel in stand kan worden gelaten op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring, terecht namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is opgelegd en dat er van een bevoegdheidsgebrek geen sprake is. De rechtbank overweegt daartoe dat het beginsel van wetmatigheid van bestuur met zich brengt dat een taak nog geen bevoegdheid impliceert en dat bij een herverdeling van taken, er niet automatisch van uit kan worden gegaan, dat bevoegdheden mee zijn overgegaan. De rechtbank volgt de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 september 2002 (JV 2002/ 386) niet. De rechtbank overweegt dat in het geval van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel van inbewaringstelling op grond van artikel 59 van genoemde wet is toebedeeld aan de Minister met het betreffende taakgebied belast, te weten; “Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie”. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat ingevolge deze wet “Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie” formeel het bestuursorgaan is en, zolang de wet niet is gewijzigd, ook blijft. Vanaf 14 december 2006 is “Minister van Justitie” met vreemdelingenzaken belast en dient hij voor de uitvoering van de Vw 2000 te worden aangemerkt als “Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie”. De bevoegdheid van de betreffende ambtenaar tot het opleggen van de maatregel van bewaring wordt nader concreet ontleend aan het bepaalde in artikel 5.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, zodat de mandaatregeling waarover partijen zich hebben uitgelaten, in casu niet aan de orde is. De maatregel is terecht namens de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie door de betreffende ambtenaar opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen