Rb. 's-Gravenhage 12 januari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ6637
Intrekking verblijfsvergunning/ ongewenstverklaring / Hofstadgroep / individueel ambtsbericht AIVD Eiser maakt deel uit van de zgn. Hofstadgroep. De AIVD heeft in een individueel ambtsbericht geconcludeerd dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder heeft op basis van dit ambtsbericht de verblijfsvergunning regulier van eiser ingetrokken en eiser ongewenst verklaard. Met betrekking tot de ongewenstverklaring oordeelt de rechtbank, na kennisneming van de aan het betreffende ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, dat het onderzoek waarop het ambtsbericht is gebaseerd voldoende zorgvuldig is geweest en de in het ambtsbericht opgenomen conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid kan dragen. Verweerder heeft dan ook aan de ongewenstverklaring van eiser ten grondslag kunnen leggen dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het betoog van eiser dat het uit de jurisprudentie van het EHRM voortvloeiende vereiste van "adversarial proceedings" er toe noopt dat eiser, nadat de rechtbank kennis heeft genomen van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op de feitelijke bevindingen van de rechtbank slaagt niet. Het bepaalde in artikel 3 van het EVRM verzet zich niet tegen de ongewenstverklaring van eiser. De redenering van eiser dat het individualiseringsvereiste met betrekking tot het bepaalde in artikel 3 van het EVRM als zodanig niet langer wordt gehandhaafd wordt niet gevolgd. In het onderhavige geval is, gelet op de overgelegde stukken en gezien de houding van de Marokkaanse autoriteiten ten opzichte van terrorisme en de door hen genomen maatregelen daartegen, zeker niet uitgesloten te achten dat personen in Marokko die worden geassocieerd met terrorisme, in het bijzonder met de aanslagen in Casablanca in 2003, en afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een zeker risico lopen op een behandeling strijdig met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft evenwel hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden, die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat hem bij uitzetting naar zijn land van herkomst de bedoelde behandeling te wachten staat, gesteld noch aannemelijk gemaakt. Gezien de ongewenstverklaring ontbreekt een rechtens te respecteren belang bij het beroep met betrekking tot de intrekking van eisers verblijfsvergunning.
De uitspraak op rechtspraak.nl