Rb. 's-Gravenhage 5 januari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ5715

studiefinanciering / Wtos / hardheidsclausule Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1.1, tweede lid van de Wtos (Tweede Kamer, 2000-2001, 27 414, nr. 3, p. 23) blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest bij de vormgeving van de voorrangsregels ten aanzien van wettelijke vertegenwoordigers primair aansluiting te zoeken bij het antwoord op de vraag wie de kosten voor het kind draagt. De wetgever is daarbij ervan uit gegaan dat deze tevens de wettelijke vertegenwoordiger is die de kinderbijslag ontvangt. Nu vaststaat dat eisers ex-echtgenote niet wenst bij te dragen aan de onderhoudskosten van haar zoon doet zich naar het oordeel van de rechtbank een situatie voor die door de wetgever bij de totstandkoming van de Wtos, met name artikel 1.1, tweede lid, niet is voorzien. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser een beroep toekomt op de hardheidsclausule van artikel 11.4 van de Wtos. Het in het verweerschrift door verweerster ingenomen standpunt dat de hardheidsclausule niet kan worden toegepast, aangezien de reeds toegekende tegemoetkoming aan de ex-echtgenote van eiser niet kan worden teruggevorderd, wat hier overigens ook van zij, doet niet af aan het oordeel dat in dit concrete geval de wet buiten toepassing had moeten worden gelaten. De toepasselijkheid van de hardheidsclausule kan immers niet afhankelijk worden gesteld van de mogelijkheid tot terugvordering van de reeds uitbetaalde tegemoetkomingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen