Rb. 's-Gravenhage 5 december 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5947

Intrekken verblijfsvergunning / Verbreken samenwoning vormt aanwijzing dat relatie is verbroken. Verweerder was op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, bevoegd tot het intrekken van de verleende vergunning aangezien door het beëindigen van de samenwoning op die datum niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend. Of verweerder van deze bevoegdheid terecht gebruik heeft gemaakt, hangt gezien het door verweerder gehanteerde beleid af van de vraag of de relatie feitelijk of juridisch is verbroken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij beëindiging van de samenwoning ook de relatie geacht wordt te zijn verbroken. Of de relatie ondanks het beëindigen van de samenwoning is voortgezet, acht de verweerder niet van belang. De rechtbank overweegt echter dat uit de tekst van paragraaf B2/5.2.3 van de Vc 2000 zulks niet kan worden afgeleid. Daaruit blijkt niet meer dan dat de beëindiging van de samenwoning een aanwijzing is dat de relatie is verbroken. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de relatie, ondanks het beëindigen van de samenwoning, niet is verbroken. Bewijs voor het voortduren van de relatie is door eiser niet overgelegd. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de relatie feitelijk is verbroken, heeft verweerder terecht overeenkomstig het door hem gevoerde beleid, de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen