Rb. 's-Gravenhage 4 december 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5720
Verzoeker is naar aanleiding van wangedrag bij besluit van 5 juli 2006 met ingang van 25 juli 2006 in zijn ambt geschorst. Tevens is daarbij bepaald dat een korting op zijn salaris zal plaatsvinden. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft de Commandant Landelijk Opleidings- en Kenniscentrum verzoeker voorgedragen voor ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR. Verzoeker heeft op 5 september 2006 mondeling zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij het thans bestreden besluit is verzoeker met ingang van 1 november 2006 oneervol ontslag verleend met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR. 3.2 Verzoeker heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de hem verweten gedragingen in privé tijd zijn begaan. Gelet daarop is verzoeker van mening dat hij als een gewoon burger bestraft dient te worden. Het verleende ontslag is in die zin in strijd met de redelijkheid en de billijkheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl