Rb. 's-Gravenhage 4 december 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4336
Vaderschapsprocedure / Nederlanderschap / nieuwe feiten of omstandigheden Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het overleggen van de gelegaliseerde geboorteakte niet met zich brengt dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Dit geldt evenmin voor het instellen van de vaderschapsprocedure door eiseres, reeds omdat een dergelijke procedure niet zonder meer kan worden gelijkgesteld aan een procedure tot vaststelling van Nederlanderschap als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, onder g Vb 2000. Hetgeen eiseres overigens in dit verband heeft aangevoerd, betreft geen nieuwe feiten of omstandigheden ten opzichte van het besluit van 16 december 1998, waarin reeds is geoordeeld dat niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan betrokkenen niet zou kunnen terugkeren naar Ghana. Deze omstandigheden die op zich zelf niet onlosmakelijk verbonden zijn met het overleggen van de geboorteakte en het instellen van de vaderschapsprocedure, worden derhalve door de rechtbank buiten de beoordeling gelaten. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl