Rb. 's-Gravenhage 2 november 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ3346

Richtlijn 2003/86/EG / gezinsherenigingsrichtlijn / feitelijke gezinsband / omzetting in nationale wetgeving. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn blijkt dat de verwijzing in artikel 4 naar artikel 16 in een betrekkelijk laat stadium van de totstandkoming van de Richtlijn is opgenomen. Als gevolg van een overeengekomen compromis tussen de lidstaten is eerst bij raadsdocument 6585/03 d.d. 25 februari 2003 deze verwijzing naar artikel 16 ingevoegd in artikel 4, eerste lid. Niet is gebleken dat met deze verwijzing werd beoogd de strekking van de Richtlijn te wijzigen in de door verweerder voorgestane richting, inhoudende dat de Nederlandse uitzonderingspositie met betrekking tot het vasthouden aan de criterium van de feitelijke gezinsband alsnog mogelijk werd gemaakt. Gelet op de systematiek van de Richtlijn, de plaats van artikel 16 in het hoofdstuk “Sancties en beroepsmogelijkheden”, de strekking van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b van de Richtlijn en tot slot de totstandkoming van de verwijzing in artikel 4 naar artikel 16 van de Richtlijn is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat het begrip “werkelijk gezinsleven” als vermeld in de Richtlijn gelijk is aan het begrip “feitelijk gezinsleven” zoals vermeld in artikel 3.14, eerste lid onder c, Vb 2000 en in B2/6.4.2. Vc 2000, voor onjuist moet worden gehouden. Het begrip “werkelijk gezinsleven” in de zin van artikel 16 van de Richtlijn is een gemeenschapsrechtelijk begrip, dat weliswaar niet nauwkeurig is bepaald, maar waarbij – anders dan verweerder meent – niet aan de lidstaten de ruimte wordt gelaten dit begrip op nationaal niveau in te vullen. Een andersluidend oordeel zou er op neerkomen dat de noodzakelijk geachte onderlinge afstemming van de communautaire voorschriften betreffende het recht op gezinsleven niet zou worden bereikt, doordat de inhoud van die begrippen zonder controle van de gemeenschapsinstellingen eenzijdig zou kunnen worden vastgesteld en gewijzigd in de nationale wetgevingen van de lidstaten. De Richtlijn zou alsdan zijn nuttig effect verliezen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de Richtlijn niet correct heeft omgezet in de nationale wet- en regelgeving en ten onrechte het ontbreken van de feitelijke gezinsband aan eiser heeft tegengeworpen. Verweerder heeft zich beroepen op een uitspraak van de Afdeling, waarin het beleid in overeenstemming wordt geacht met de Richtlijn. De rechtbank overweegt hieromtrent allereerst dat de gemachtigde van verweerder ter zitting de tegenover de Afdeling gegeven interpretatie van het beleid – te weten dat na vijf jaar slechts de bewijslast van het bestaan van een feitelijke gezinsband wordt omgekeerd – niet heeft gehandhaafd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aan verweerder is om aan te tonen dat de situatie van artikel 16, eerste lid sub b van de Richtlijn zich voordoet, zodat geen sprake kan zijn van omkering van de bewijslast. Het beleid verdraagt zich ook in die interpretatie dus niet met de Richtlijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen