Rb. 's-Gravenhage 31 oktober 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ3097
Eiser heeft in 2000 zijn eenmanszaak per 1 november 1999 in een BV ingebracht. Daarbij heeft de BV eiser voor een bedrag van ongeveer f 1,2 miljoen in rekening-courant gecrediteerd. Dit bedrag bestaat uit op 1 november 1999 materieel verschuldigde belasting van ongeveer f 1,1 miljoen en een afrondingscreditering van f 50.000. Vervolgens heeft eiser in 2001 twee voorlopige aanslagen (IB en WAZ) voor de jaren 1999 betaald (inclusief heffingsrente). In geschil is of de door eiser in 2001 betaalde heffingsrente als kosten van een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92 Wet IB 2001 in aftrek kan worden gebracht. Volgens de rechtbank kunnen schulden slechts tot de in artikel 3.92 Wet IB bedoelde vermogensbestanddelen worden gerekend indien zij zijn aangegaan ter financiering van ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen. Gezien de vaststaande feiten is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk verband tussen de belastingschuld over 1999 enerzijds en de rekening-courantverhouding tussen eiser en de BV anderzijds ontbreekt. In dit geval gaat het niet om een schuld die eiser is "aangegaan", maar om een uit de wet voortvloeiende, bij voorlopige aanslag opgelegde belastingschuld.
De uitspraak op rechtspraak.nl