Rb. 's-Gravenhage 22 november 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2890

Bewaring / eerste beroep / zicht op uitzetting / verdachte Schipholbrandzaak. Eiser, van Libische nationaliteit, is verdachte in de Schipholbrandzaak. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft in de strafzaak de voorlopige hechtenis van eiser geschorst. Aansluitend op de schorsing is eiser op 8 november 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld, tegen welke maatregel eiser beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe onder meer aan dat er gelet op de beschikking van het Gerechtshof geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er wel sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn nu er reeds een geldige laissez-passer is voor eiser en er voor 30 november 2006 een vlucht is geboekt naar Libië. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beschikking van het Gerechtshof mogelijk een belemmering is voor de uitzetting, maar dat het Gerechtshof en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zich nog over de schorsingsbeslissing aan het beraden zijn. De mogelijke belemmering ziet volgens verweerder op de uitzetting en niet op de inbewaringstelling. Verweerder geeft in dit kader aan dat op het moment van uitzetting duidelijk zal moeten zijn of de beschikking van het Gerechtshof nog wordt gehandhaafd. De rechtbank is met eiser van oordeel dat gelet op de beschikking van het Gerechtshof niet kan worden gesteld dat er thans sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, terwijl bewaring een maatregel is ter fine van uitzetting. De rechtbank acht hierbij van belang de voorwaarden welke het Gerechtshof aan de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verbonden. Gelet op de voorwaarden 6, 7 en 8 kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat het Gerechtshof er blijkbaar grote waarde aan hecht dat eiser in Nederland blijft zolang niet onherroepelijk in de strafzaak is beslist. De rechtbank is van oordeel dat de geplande uitzetting van eiser op 30 november 2006 dan ook haaks staat op meergenoemde beschikking van het Gerechtshof. De rechtbank overweegt dat het niet op de weg van de Minister ligt om met een bestuurlijke maatregel, zoals de vreemdelingenbewaring, de beschikking van het Gerechtshof van elke ratio te ontdoen. Het gestelde van verweerder ter zitting dat het prematuur is om te stellen dat het Gerechtshof niet voor de geplande uitzettingsdatum zal terugkomen op meergenoemde beschikking en dat vernomen is dat het Gerechtshof aan het beraadslagen is, wordt door de rechtbank niet gevolgd, nu dit op geen enkele wijze is gestaafd en ook overigens onaannemelijk is. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt dan ook bevolen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen