Rb. 's-Gravenhage 29 augustus 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1216
Bewaring / rechtmatigheid / onvolledige aanvraag. De rechtbank acht de maatregel van bewaring onrechtmatig, omdat verweerder een aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning vanwege schrijnendheid nimmer in behandeling heeft genomen en zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van een aanvraag respectievelijk geen volledige aanvraag. De rechtbank acht wel een aanvraag aanwezig, zij het een onvolledige. Nu verweerder eiser nimmer in de gelegenheid heeft gesteld die aanvraag te completeren, wordt voortzetting van de bewaring na het verstrijken van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:5 Awb onrechtmatig geacht. Bij uitspraak 200606530/1 van 5 oktober 2006 heeft de Afdeling het tegen de uitspraak van de rechtbank door de minister ingestelde beroep gegrond geacht, omdat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door artikel 4:5 Awb ambtshalve te toetsen. Voormelde bepaling behelst echter, aldus de Afdeling, geen voorschrift van openbare orde. Beroep gegrond, toewijzing schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl