Rb. 's-Gravenhage 12 oktober 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1051

Vovo hangende fictief beroep. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken door een vreemdeling van Wit-Russische nationaliteit. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit en vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Verweerder is wel bevoegd, maar niet verplicht een primaire beslissing op de aanvraag te nemen. Nu verzoeker in bezwaar is gehoord bestaat evenmin grond voor het oordeel dat hij door deze gang van zaken ernstig in zijn processuele belangen is geschaad. Dat verzoeker eerst op de hoorzitting kennis heeft genomen van het standpunt van verweerder leidt niet tot een ander oordeel. Het ligt immers op de weg van verzoeker om aannemelijk te maken dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning vormen. Het beroep op artikel 13 EVRM leidt niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is dat sprake is van een situatie als bedoeld in die verdragsbepaling. De omstandigheid dat verweerder geen primair besluit heeft genomen, betekent niet dat verzoeker een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie is ontnomen. Vast staat dat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag. Verzoeker heeft in beroep terecht aangevoerd dat verweerder het bezwaar voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De voorzieningenrechter heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarin het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag ongegrond is verklaard. De voorzieningenrechter voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaar, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen