Rb. 's-Gravenhage 18 september 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9269
Vrijheidsbeperking / beperking bewegingsvrijheid / meldplicht / détournement de pouvoir. Verweerder heeft eiser een dagelijkse meldplicht opgelegd in Vertrekcentrum Vught. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de in de artikelen 54 en 56 Vw 2000 gegeven bevoegdheden heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze zijn verleend, zodat het opleggen van de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank ziet in hetgeen verweerder heeft betoogd met betrekking tot de toepassing van artikel 57 Vw 2000 in een geval als het onderhavige geen overtuigende aanknopingspunten voor een wezenlijk ander oordeel dan gegeven in haar uitspraak van 15 september 2005. Uit de tekst van artikel 57 Vw 2000 als zodanig kan niet worden afgeleid dat de genoemde toepassing rechtens niet mogelijk zou zijn. Evenmin kan worden volgehouden dat de parlementaire geschiedenis op dat punt slechts één conclusie toelaat. Wel kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever bij de totstandkoming van deze bepaling niet de toepassing van de maatregel voor ogen heeft gehad ten aanzien van vreemdelingen wier asielaanvraag reeds lang geleden is afgewezen en die, zoals eiser, behoren tot de doelgroep van het Project Terugkeer. Dit laatste is evenwel niet anders waar het gaat om de toepassing van de artikelen 54 en 56 Vw 2000. Van belang daarbij is dat artikel 56 Vw 2000 niet alleen van toepassing is op vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben maar ook op vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8 Vw 2000 met uitzondering van de onderdelen b, d en e. Uit de parlementaire geschiedenis komt dan ook naar voren dat van de bevoegdheid tot toepassing van de maatregel slechts bij wijze van hoge uitzondering gebruik zal worden gemaakt en wel indien het wettelijk niet mogelijk is op andere gronden vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen en de beschikbaarheid van de vreemdeling toch gewenst is. De toepassing van artikel 56 (in combinatie met artikel 54) Vw 2000 is door verweerder in het verleden ook beleidsmatig in de genoemde zin opgevat. Daarbij is aangegeven dat de opgelegde beperkingen niet zo verstrekkend mogen zijn dat zij het karakter van een vrijheidsontnemende maatregel hebben, noch dienen zij ertoe om de uitzetting van een vreemdeling te verzekeren. Alleen in uitzonderingsgevallen, met name indien de uitzetting (nog) niet kan plaatsvinden en de toepassing van een andere vrijheidsbeperkende maatregel niet in aanmerking komt, kan deze maatregel in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid worden toegepast. De rechtbank is derhalve van oordeel dat ook ten aanzien van de toepassing van artikel 56 (in combinatie met artikel 54) Vw 2000 uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever bij de totstandkoming van deze bepaling bepaald niet de toepassing van de maatregel voor ogen heeft gehad zoals deze thans structureel en routinematig plaatsvindt ten aanzien van vreemdelingen die, zoals eiser, behoren tot de doelgroep van het Project Terugkeer. De rechtbank volgt verweerder in de stelling dat de mogelijkheid van toepassing van artikel 57 Vw 2000 verweerder niet de bevoegdheid ontneemt de artikelen 56 en 54 Vw 2000 in onderlinge samenhang toe te passen, en dat verweerder uit overwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit zelfs gehouden is geen zwaarder middel toe te passen dan op grond van de omstandigheden van het geval noodzakelijk is. Nu blijkens het voorgaande de wettekst zelf zich niet verzet tegen de toepassing van een maatregel op grond van artikel 57 Vw 2000 enerzijds en van artikel 56 (in combinatie met artikel 54) Vw 2000 anderzijds, en ten aanzien van beide artikelen de toepassing van de artikelen zoals in het kader van het Project Terugkeer voorzien niet voor ogen heeft gestaan, dient het oordeel thans te luiden dat verweerder de keuze heeft tussen toepassing van artikel 57 Vw 2000 ofwel de artikelen 56 en 54 Vw 2000, waarbij de kanttekening is geplaatst dat de maatregel van artikel 56 Vw 2000 louter mag strekken tot beperking van de bewegingsvrijheid. Met het opleggen van een eenmaal daagse meldplicht wordt hieraan voldaan. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat de combinatie van de toepassing van de maatregelen op grond van de artikelen 54 en 56 Vw 2000 blijkens de parlementaire geschiedenis mogelijk wordt geacht. Daarnaast komt betekenis toe aan de omstandigheid dat de toepassing van de maatregelen op grond van de artikelen 54, 56 en 57 Vw 2000 onderwerp van bespreking is geweest in het overleg met de Tweede Kamer. De rechtbank handhaaft in het licht van het voorgaande derhalve niet langer het standpunt dat verweerder de bevoegdheid tot toepassing van de onderhavige maatregel heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Thans is de rechtbank van oordeel dat toepassing van de maatregel op grond van de artikelen 54 en 56 Vw 2000 in het kader van het Project Terugkeer in beginsel rechtmatig moet worden geacht. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl