Rb. 's-Gravenhage 25 juli 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7934

De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 2005 niet kan worden opgemaakt hoe de daar gevolgde benadering zich verhoudt tot en verdraagt met het aan de AOW-verzekerde in artikel 10, tweede lid, Wfv geboden vooruitzicht, dat hij vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd is vrijgesteld van premieplicht AOW. Een uitgangspunt dat in dit artikel zonder uitzonderingen, zonder beperkingen en zonder voorbehoud is geformuleerd en daarom - gelet op het waarborgkarakter dat van een bepaling van die strekking uitgaat - geen uitzondering lijkt te zullen lijden in al die gevallen waarin de belanghebbende in het jaar waarin hij 65 wordt geen belastbare inkomsten kan aanwijzen, anders dan het pensioen dat hij eerst na het bereiken van zijn 65-jarige leeftijd heeft ontvangen. Wat hier echter van zij, gebleken is dat - indien de stelling van eiseres zou worden gehonoreerd, dat zij geen AOW-premie over 2004 is verschuldigd - dit voordeel voor eiseres door een andere correctie wederom (volledig) ongedaan wordt gemaakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen