Rb. 's-Gravenhage 25 juli 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6559

Verzoek om opheffing of opschorting dwangsom / inspanningsverplichting. De Minister (verzoeker) heeft verzocht om opheffing van de opgelegde dwangsom en zich beroepen op de omstandigheid dat hij na de uitspraak van 3 november 2004 waarin de dwangsom werd opgelegd nog geen nieuw besluit op bezwaar kon nemen. Verzoeker heeft daartoe aangevoerd dat geen advies van het BMA beschikbaar was en het BMA nog geen advies kon uitbrengen, omdat het BMA het (medisch) noodzakelijk achtte het advies van een externe deskundige in te winnen. Daarom heeft verzoeker het besluit van 8 december 2004 genomen, waarin aan verweerster een verblijfsvergunning is verleend ‘conform beschikking minister’ in afwachting van het BMA-advies. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker onvoldoende inspanning en zorgvuldigheid heeft betracht om te voldoen aan de hoofdveroordeling van de uitspraak van 3 november 2004 om (alsnog) binnen vier weken een besluit te nemen op het bezwaar van 9 april 2002. De omstandigheden die volgens verzoeker zouden moeten leiden tot opschorting van de dwangsom waren hem reeds bekend vóór de uitspraak van 3 november 2004. Verzoeker heeft immers reeds bij brief van 1 november 2004 aan verweerster bericht dat nog geen nieuw besluit kon worden genomen, omdat nog geen advies van het BMA beschikbaar was. Verzoeker had daarom bij het BMA erop kunnen en moeten aandringen om de afgifte van het advies te bespoedigen, temeer nu verzoeker reeds op 24 juni 2004 het BMA om advies had gevraagd. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker hiertoe pogingen heeft ondernomen. Voorts had verzoeker verzet kunnen aantekenen tegen de uitspraak van 3 november 2004, nu hij bij ontvangst van die uitspraak reeds meende niet aan de hoofdveroordeling in de uitspraak te kunnen voldoen. Daarnaast had verzoeker ook reeds toen op grond van artikel 611d, eerste lid, Rv de rechtbank kunnen en moeten verzoeken de opgelegde dwangsom op te schorten of op te heffen. Verzoeker heeft met het besluit van 8 december 2004 willens en wetens niet aan de hoofdveroordeling voldaan om te beslissen op het bezwaar tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen voor het ondergaan van medische behandeling. In die zin kan van een vergissing geen sprake zijn. Voor zover verzoeker desalniettemin in de veronderstelling zou verkeren dat met het besluit van 8 december 2004 aan de hoofdveroordeling was voldaan, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker niet alle inspanning en zorgvuldigheid heeft betracht die in redelijkheid van hem kon worden verlangd om die vergissing te voorkomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen