Rb. 's-Gravenhage 6 april 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6499
Voortgezet verblijf / intrekken verblijfsvergunning / vrijstelling mvv-vereiste / hardheidsclausule. Eisers hebben de Surinaamse nationaliteit. Verweerder heeft op goede gronden de verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij partner’ ingetrokken. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet leiden tot een situatie die noopt om met toepassing van artikel 4:84 Awb af te wijken van de beleidsregels als neergelegd in B2/4.10 Vc 2000, B2/2.5 Vc 2000 en B1/2.2.7 Vc 2000. Ten aanzien van het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het wijzigen van de verleende verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij partner’ in de beperking ‘voortgezet verblijf’ is in geschil of verweerder de aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking in de beperking ‘voortgezet verblijf’ op goede gronden heeft aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating. In geschil is voorts of eiseres in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder hanteerde ten tijde van het bestreden besluit, zoals ook blijkt uit WBV 2005/39, het beleid dat ‘als de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken en sprake is van omstandigheden bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, Vb 2000, dan geldt dat de aanvraag slechts tijdig is ingediend indien deze in ingediend vóór het tijdstip tot wanneer de verblijfsvergunning is ingetrokken. Alleen in die gevallen is betrokkene immers in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning op het moment dat de verlengingsaanvraag werd ingediend. (…) Als betrokkene formeel nimmer in bezit is geweest van een verblijfsvergunning, omdat deze is ingetrokken tot en met de datum waarop zij verleend werd, kan betrokkene gelet op het voorgaande per definitie niet tijdig een verlengingsaanvraag indienen.’ Gelet op het hiervoor weergegeven beleid, dat de rechtbank niet kennelijk onredelijk voorkomt, is de aanvraag van eiseres van 12 februari 2003 niet tijdig ingediend, aangezien deze datum gelegen is na 3 april 2001, zijnde het tijdstip tot wanneer de verleende vergunning is ingetrokken. Verweerder heeft de aanvraag, gelet op het bepaalde in artikel 3.80, eerste lid, Vb 2000 terecht aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating. Uit het voorgaande volgt eveneens dat verweerder terecht heeft overwogen artikel 3.82, eerste lid, Vb niet van toepassing is in de voorliggende zaak. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding hoefde te zien tot het geven van toepassing aan de hardheidsclausule. Dat eiseres hier al zeven jaar woont, een woning en een baan heeft, in Suriname niets meer heeft en daar een grote economische terugslag tegemoet gaat, zijn geen zeer bijzondere omstandigheden. Dat de zoon van eiseres hier naar een kinderdagverblijf gaat, in Suriname in een heel andere, onstabiele, omgeving terechtkomt, is evenmin voldoende voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl