Rb. 's-Gravenhage 3 maart 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5404
Ingevolge artikel 9 van de Flora en faunawet is het verboden dieren, i.c. spreeuwen, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Ingevolge artikel 68, eerste lid, onder c, en tweede lid, van de Ffw, is verweerder bevoegd wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan, ontheffing te verlenen van - voor zover hier van belang - het bepaalde bij of krachtens de artikel 9 van de Ffw. Verweerder kon in dit specifieke geval, na afweging van alle daarbij betrokken belangen, in redelijkheid gebruik maken van de bevoegdheid de bestreden ontheffing van het bepaalde bij of krachtens art 9 van de Flora en faunawet te verlenen. (...) Beroep is ongegrond, geen aanleiding voor treffen van voorlopige voorziening
De uitspraak op rechtspraak.nl