Rb. 's-Gravenhage 21 april 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5305
Uit de gedingstukken en hetgeen eiser ter zitting heeft aangevoerd maakt de rechtbank op dat bij onderzoek in 1994 ten aanzien van eiser op grond van diens co-ouderschap indeling in tariefgroep 5 heeft plaatsgevonden, ook al werd niet voldaan aan de voorwaarde dat hij met zijn dochter langer dan zes maanden een huishouding voerde. Eiser heeft nadien deze aangelegenheid meermaals uitdrukkelijk en gemotiveerd aan verweerder voorgelegd. De desbetreffende uitspraken op bezwaar hebben naar het oordeel van de rechtbank bij eiser de indruk kunnen wekken dat de door verweerder gevolgde gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling. In aanmerking genomen voorts dat bij inwerkingtreding van de Wet IB 2001 de hier relevante voorwaarde niet is gewijzigd en dat verweerder de in geschil zijnde kinderkortingen voor 2001 en 2002 heeft toegepast, hetgeen eiser redelijkerwijs heeft mogen opvatten als een continuering onder de Wet IB 2001 van de zo-even bedoelde bewuste standpuntbepaling van verweerder, is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Eiser heeft derhalve voor het jaar 2003 recht op de kinderkortingen.
De uitspraak op rechtspraak.nl