Rb. 's-Gravenhage 4 juli 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5100
Medische behandeling / voortgezet verblijf. Eiser heeft een aanvraag ingediend om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel het ondergaan van medische behandeling. Op het moment dat deze aanvraag wordt ingewilligd, voldoet eiser aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel voorgezet verblijf. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder hem een verblijfsvergunning onder laatstgenoemde beperking had moeten verlenen. Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 3.100 Vb aangevoerd, dat eiser ter verkrijging van een verblijfsvergunning onder die beperking, een aanvraag (had) moet(en) indienen. Eiser heeft, onder verwijzing naar de Toelichting bij artikel 3.100 Vb, primair betwist dat er sprake is van een wijziging van het verblijfsdoel. De rechtbank overweegt dat, waar in de Toelichting bij artikel 3.100 Vb de verplichting is opgenomen een verwant verblijfsdoel in de beoordeling te betrekken, het kennelijk gaat om situaties waarin inwilliging van de aanvraag op basis van het verzochte verblijfsdoel net niet of niet meer mogelijk is, terwijl het verwante verblijfsdoel wel voor inwilliging in aanmerking komt. Die situatie doet zich hier niet voor, aangezien eiser de vergunning heeft verkregen waarom hij heeft verzocht. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt nog aangevoerd dat er voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel voorgezet verblijf geen nadere gegevens of bescheiden hoefden te worden verstrekt, noch dat er door verweerder nader onderzoek had hoeven te worden verricht. Uit de toelichting blijkt echter niet dat dit criterium doorslaggevend is voor beantwoording van de vraag of er al dan niet sprake is van wijziging van een verblijfsdoel. Ook met het subsidiaire argument van eiser in deze procedure, kan hij niet bereiken wat hij daarmee beoogt. Weliswaar is eisers aanvraag eerst circa vier jaar na de aanvraag ingewilligd, heeft verweerder daarmee wettelijke beslistermijnen overschreden en heeft eiser mogelijk door onzekerheid over zijn rechtspositie niet eerder om verlening van een vergunning voor het verblijfsdoel voortgezet verblijf gevraagd, maar de rechtbank kan binnen de kaders van het beroep in deze zaak niet anders concluderen dan dat verweerder, door het alsnog aan eiser verlenen van rechtmatig verblijf voor hetzelfde verblijfsdoel over de gehele periode sinds het verlopen van de eerder verleende vergunning, geheel tegemoet is gekomen aan de aanvraag van eiser. Tegen die achtergrond is er geen grondslag verweerder in onderhavige zaak op te dragen een vergunning onder een andere beperking te verlenen dan wel anderszins nadeelscompensatie aan eiser te bieden. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl