Rb. 's-Gravenhage 16 maart 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AX6515
Individueel ambtsbericht AIVD / algemeen ambtsbericht minister van Buitenlandse Zaken / continuïteitsvereiste. Eiser heeft op 28 mei 2003 een herhaalde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 26 november 2004 is deze aanvraag afgewezen. De door eiser overigens in het kader van de onderhavige aanvraag afgelegde verklaringen, voor zover deze betrekking hebben op de door eiser gestelde gebeurtenissen voorafgaand aan zijn vertrek in 1999 uit Mauritanië, zijn niet zijn aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. Hetgeen eiser thans heeft verklaard had hij immers reeds in 1999 kunnen en moeten verklaren. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aan het tegenwerpen van om artikel 4:6 Awb in de weg staan. De door eiser aangevoerde omstandigheden, te weten dat eiser op verdenking van deelname aan een terroristische organisatie in Nederland is gearresteerd, dat hij hiervan door de rechtbank Rotterdam weliswaar is vrijgesproken, maar dat deze strafzaak aanzienlijke publieke aandacht heeft getrokken, zijn aan te merken als feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit van 16 november 1999, en niet vóór het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd. Niet op voorhand kan uitgesloten worden geacht dat deze omstandigheden in het licht van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kunnen afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. Beoordeeld zal worden of de door eiser aangevoerde nova verweerder tot een andersluidend standpunt hadden moeten nopen ten opzichte van diens beslissing op eisers eerste asielverzoek. De door verweerder ingeroepen machtswisseling in Mauritanië van 3 augustus 2005 is als zodanig te beschouwen als een nieuw feit of omstandigheid die op grond van artikel 83 Vw 2000 in de beoordeling kan worden meegenomen. Een toegespitste concretisering van met name welke gevolgen hier voor het onderhavige beroep aan moeten worden verbonden, is door verweerder achterwege gelaten. Daarbij kan niet worden volgehouden dat de gevolgen van de machtswisseling al ten volle zijn uitgekristalliseerd. Derhalve is niet voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van feiten en omstandigheden die voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 relevant kunnen zijn, zodat derhalve niet wordt voldaan aan artikel 83, tweede lid, Vw 2000. Gelet op hetgeen door eiser is aangevoerd, in onderling verband en in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet op de daaraan ten grondslag gelegde gronden op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen door eiser is aangevoerd niet kan afdoen aan de eerdere bestuurlijke besluitvorming met betrekking tot de vraag of eiser bij terugkeer naar Mauritanië in vluchtelingenrechtelijke zin zal worden vervolgd. Vastgesteld kan worden dat relevante informatie over de situatie in Mauritanië met betrekking tot de van belang zijnde periode vanaf 2000, het jaar waarin de minister van Buitenlandse Zaken voor het laatst een algemeen ambtsbericht over Mauritanië heeft uitgebracht, ontbreekt. In het verlengde hiervan kan dan ook niet worden geconcludeerd dat door eiser geen concrete aanknopingspunten zijn aangevoerd voor twijfel aan de volledigheid van het ambtsbericht met betrekking tot Mauritanië van mei 2000. Verweerder heeft zich evenwel op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet als een refugié sur place kan worden aangemerkt. De vraag of eiser heeft te vrezen voor vervolging kan onbesproken blijven nu eisers beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 reeds vanwege het niet voldoen aan het continuïteitsvereiste niet kan slagen. Met betrekking tot hetgeen door eiser in verband met zijn beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 is aangevoerd, overweegt de rechtbank voldoende aannemelijk te achten dat de Mauritaanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de in Nederland jegens eiser gerezen verdenkingen. Voorts heeft eiser voldoende gegevens aangedragen die door verweerder uit het oogpunt van een zorgvuldige besluitvorming niet zonder toegespitste motivering buiten beschouwing konden worden gelaten. In het verlengde van de vaststelling dat relevante informatie over de situatie in Mauritanië met betrekking tot de van belang zijnde periode vanaf 2000 ontbreekt, heeft verweerder ten onrechte op de daartoe aangevoerde gronden geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij gedwongen terugkeer het reële risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Hetgeen door partijen met betrekking tot het individuele ambtsbericht van de AIVD is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Daartoe is van belang dat het genoemde ambtsbericht weliswaar ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vw 2000 mede bij de beoordeling is betrokken, maar dat verweerder in de als gevolg van deze uitspraak openvallende besluitvorming alsnog zal kunnen bezien worden welke rol het ambtsbericht - in het kader van de te onderzoeken feiten en de op grond daarvan te trekken conclusies - zal kunnen spelen. In dit licht komt het de rechtbank niet opportuun voor thans op de nadere besluitvorming van verweerder vooruit te lopen.
De uitspraak op rechtspraak.nl