Rb. 's-Gravenhage 29 mei 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AX6304
Arbeid als zelfstandige / wezenlijk Nederlands belang / advisering. Een bestuursorgaan dat advies inwint draagt uit hoofde van artikel 3:2 Awb (mede) de verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige advisering, zodat het zich dient te vergewissen van de zorgvuldigheid van ieder onderzoek waarvan het de resultaten aan een besluit ten grondslag legt. De ten aanzien van een deugdelijke besluitvorming te stellen eisen brengen in het bijzonder met zich dat, wanneer een bestuursorgaan in het kader van zijn besluitvorming een advies inwint, het zich op grond van de beschikbare gegevens zelfstandig een oordeel dient te vormen, in welk verband het zich mede ervan dient te vergewissen dat aan de totstandkoming en de conclusies van dat advies geen zodanige gebreken kleven dat dat besluit niet, althans niet zonder meer, op dat advies mag worden gebaseerd. De rechtbank is met inachtneming van deze maatstaven van oordeel dat verweerder zich in het onderhavige geval niet, althans niet zonder meer, heeft kunnen verlaten op de ingewonnen adviezen. Doorslaggevend is dat de verstrekte adviezen in het geheel niet (concreet) ingaan op de veelheid aan informatie, welke van de zijde van eiser is aangedragen. Voorts verschaffen de verstrekte adviezen geen, althans volstrekt onvoldoende, inzicht met betrekking tot de vraag waarom eiser onvoldoende heeft aangetoond dat er concrete zaken worden gedaan met Nederlandse bedrijven. Eiser heeft dienaangaande immers een veelheid aan gegevens verschaft, waarop door de minister in het geheel niet is gerespondeerd. Nu de namens de minister verstrekte informatie in zoverre niet inzichtelijk is, heeft verweerder de conclusie in voormelde adviezen, dat met de door eiser beoogde bedrijfsmatige activiteit geen wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend, niet zonder meer als juist mogen aanvaarden. Opgemerkt wordt dat de inzichtelijkheid van de adviezen (en daarmee de verifieerbaarheid en toetsbaarheid voor de rechter) nog wordt bemoeilijkt doordat uit de zich onder de gedingstukken bevindende verzoeken aan de minister om advies, noch de ingewonnen adviezen zelf, blijkt welke stukken aan de minister zijn voorgelegd c.q. welke stukken (daadwerkelijk) in de advisering zijn betrokken. Al het voorgaande klemt te meer nu de rechtbank - in navolging van de uitspraken AWB 96/12352, e.v. van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 30 oktober 1997 en AWB 99/1911 van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 29 november 2000 - van oordeel is dat niet direct duidelijk is op grond van welke criteria beoordeeld wordt of er sprake is van innovatieve waarde en een wezenlijk Nederlands economisch belang. Alsdan is immers te meer van belang dat de door verweerder ingewonnen adviezen voldoende inzichtelijk zijn. In het bestreden besluit is, niettegenstaande het feit dat het uiteindelijk aan het oordeel van verweerder zelf is overgelaten of met de activiteiten van een vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, evenmin (concreet) op de door eiser verstrekte (en uitvoerige) informatie ingegaan. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl